De openhartige verhalen van een russische pelgrim
De Mystieke kracht van het JezusGebed

ZEVENDE VERHAAL
Bidt voor elkaar, opdat
gij genezing moogt vinden
(Jac.,5,16)
Pelgrim: Ikzelf en mijn vrome reisgenoot, de professor,hebben niet kunnen weerstaan aan ons gemeenschappelijk verlangen: vooraleer op weg te gaan, komen we bij u, om defnitief afscheid te nemen en uw gebed te vragen voor ons…
Professor: Ja, uw openheid en die stichtelijke gesprekken waren voor ons een echte weldaad; u en uw vrienden hebben ons daar veel genoegen mee gedaan. De herinnering daaraan zullen we bewaren als een onderpand van onze verbondenheid in de christelijke liefde, ook als we in de verre streek zullen zijn, waar we nu naartoe gaan.
Starets: Ik dank u voor de liefde waarmee u aan mij blijft denken! Maar u komt juist op het goede moment! Er zijn bij mij twee reizigers aangekomen: een monnik uit Moldavië en een kluizenaar die twintig jaar in stilzwijgen geleefd heeft in een woud. Ze zouden u graag eens willen zien, ik zal ze roepen…
Hier zijn ze!
Pelgrim: O hoe zalig is het leven in de eenzaamheid! Daar is het gemakkelijk voor de ziel om ongehinderd tot de vereniging met God te geraken! Het zwijgende woud is als een tuin van Eden, waar de zoete levensboom groeit in het biddende hart van de kluizenaar. Moest ik maar de middelen hebben voor mijn levensonderhoud, ik geloof dat ik dan nooit het kluizenaarsleven zou opgeven.
Professor: Alles lijkt ons heel mooi van ver. Maar de ervaring heeft ons toch al overtuigd dat elke plaats, wel zijn voordelen heeft maar ook zijn nadelen. Natuurlijk als men een melancholisch temperament heeft en een neiging tot het stilzwijgen,dan is het kluizenaarsleven aangenaam; maar er zijn toch ook
– 185 –
op deze weg veel gevaren. De geschiedenis van de asceten geeft vele voorbeelden die laten zien,hoe vele kluizenaars en anachoreten, die zich helemaal afgescheiden hadden van de gemeenschap van de mensen, in zelfbegoocheling vielen en in diepe bekoring.
Kluizenaar: Het verwondert mij in Rusland zo vaak – niet alleen in de kloosters maar ook bij godvrezende leken te horen dat velen, die verlangen naar het kluizenaarsleven of naar het inwendig gebed, van het involgen van deze neiging afgehouden worden, door de vrees dat zij ten onder zouden gaan in de bekoring. Met veel nadruk geeft men dan voorbeelden om deze conclusie te staven; daardoor blijven ze niet alleen zelf vreemd aan het inwendig leven, maar houden ze er ook anderen van verwijderd. Ik denk dat dit komt door twee motieven: ofwel omdat ze de zaak niet begrijpen en geen geestelijk inzicht hebben, ofwel omdat ze zelf te lui zijn om de beschouwing na te streven en tevens jaloers op anderen die wel van lagere stand zijn dan zijzelf, maar hen overtreffen door die hogere kennis. Het is zeer spijtig, dat zij die deze overtuiging toegedaan zijn, zich niet verdiepen in de beschouwingen van de heilige Vaders over dit onderwerp. Dezen leren namelijk ronduit en met grote stelligheid dat men niet mag vrezen of twijfelen als men de naam Gods aanroept.Als sommigen dan toch gevallen zijn in zelfbedrog of hun zinnen verloren hebben, dan is dat gebeurd ten gevolge van hun hoogmoed, omdat ze geen leidsman hadden, en omdat ze verschijningen en illusies voor waarheid aanzagen. Als er toch zo een bekoring zou optreden (vervolgen deze Vaders)dan zal deze ervaring bijbrengen en een gloriekroon bezorgen; want God zal ons dadelijk ter hulp komen in deze beproeving. Houd moed. Ik ben met jou! Vrees niet,zegt de Heer.
Hieruit volgt dat men ten onrechte bang is en zich onthoudt van het inwendig leven uit vrees voor zelfbedrog. Immers als men deemoedig bewust is van zijn zonden, de ziel openlegt aan een leidsman en bij het gebed alle visioenen en beelden afwijst, dan heeft men een stevige en veilige bescherming
– 186 –
tegen die verleiding waarvoor velen zo bang zijn, dat zij zich niet wagen aan het inwendig gebed.Maar ondertussen zijn ze zelf blootgesteld aan de verleiding zoals Filotheus de Sinaïet vanuit de ervaring weet te zeggen: Vele monniken begrijpen niet welke bekoringen hun geest te lijden heeft van de demonen; zij zijn alleen maar ijverig bezig met één soort activiteit:de uitwendige deugden. Maar zij doen niets voor de geest,d.w.z. voor de innerlijke beschouwing, omdat zij niet de nodige vorming of kennis hebben. En zelfs als ze van anderen horen, wat de genade in hun binnenste uitgewerkt heeft,beweert de heilige Gregorius de Sinaïet, dan beschouwen ze dat uit na ijver als bekoring.’
Professor: Sta me toe u iets te vragen: iedereen die op zichzelf let zal zich natuurlijk gemakkelijk van zijn zonden bewust worden. Maar hoe moet men dan te werk gaan in geval er geen leidsman te vinden is, die met ervaring leiding kan geven op de innerlijke weg en aan wie men zijn ziel kan openleggen, om van hem een juiste en betrouwbare leiding voor het geestelijk leven te ontvangen? Is het in zo een geval niet beter, van niet met de beschouwing te beginnen, in plaats van op eigen houtje en zonder gids er op los te gaan? Het is mij verder ook niet duidelijk hoe het mogelijk is, als men zich in tegenwoordigheid van God stelt, nog vast te houden aan een volledige ‘afwezigheid van beelden’. Da is niet natuurlijk, want mijn ziel en mijn geest kunnen zich niets voorstellen in de verbeelding, als elke vorm en elk beeld moet afgewezen worden. En daarbij als de geest zich verdiept in God,waarom mag men zich dan niet in de verbeelding Jezus Christus voorstellen,of de Heilige Drievuldigheid enz.?
Kluizenaar:Als men zich gaat toeleggen op het gebed van het hart en op een leven van ascese en stilzwijgen, dan is er inderdaad als eerste voorwaarde de leiding van een leidsman,die ervaren en onderlegd is op geestelijk gebied, of van een starets aan wie men ongehinderd en met vertrouwen elke dag zijn ziel kan openleggen, met zijn gedachten en al wat men tegenkomt op de weg van de innerlijke leerschool. Maar als zo iemand onmogelijk kan gevonden worden, dan maken dezelfde
– 187 –
Vaders, die ons het hierboven gezegde aanbevolen hebben, voor dat geval een uitzondering. De leer van de heilige Niceforus de Monnik, is daarover zeer duidelijk:’Voor het beoefenen van het inwendig gebed van het hart is een betrouwbaar en deskundig leermeester vereist. Als er geen is dan moet men er ijverig naar zoeken. Vindt je er toch geen, roep dan met een vermorzeld hart God ter hulp,om onderricht en leiding te putten uit de leer van de Vaders en om je toe te vertrouwen aan het woord Gods,dat uitgedrukt ligt in de heilige Schrift.’ Daarbij moet men in overweging nemen, dat, als men dit oprecht verlangt, men ook nuttige en stichtelijke woorden kan vernemen van eenvoudige mensen.Trouwens de heilige Vaders beweren,dat zelfs een Saraceen ons een nuttig woord zou kunnen geven, als we hem er met geloof en met een goede bedoeling zouden om vragen. Maar als je zonder geloof en zonder een juiste bedoeling een profeet om onderricht zoudt vragen, dan zo ook hij niet kunnen voldoen. Een voorbeeld hiervan zien we bij Makarius de Grote in Egypte,die eens iets aan het verstand werd gebracht door een eenvoudige boer en zo van een passie verlost werd.Wat nu ‘de afwezigheid van beelden’ betreft, d.w.z. dat men zich tijdens de beschouwing niets mag voorstellen of geen visioenen mag aannemen, noch een licht, noch een engel,noch Christus, noch een andere heilige, en dat men zich moet afkeren van elk droombeeld,dit voorschrift wordt ons door de heilige Vaders natuurlijk gegeven omwille van het feit, dat ons vermogen om ons iets voor te stellen gemakkelijk aan verstandelijke voorstellingen een materiële vorm kan geven,of ze als ‘t ware tot leven brengen. Daarom kan een onervaren mens nogal gemakkelijk aangetrokken worden door deze dromen en ze gaan waarderen als uitingen van de genade en zo het slachtoffer worden van zelfbedrog. Daarbij komt nog dat, zoals de heilige Schrift zegt, ook satan zich kan vertonen als een engel van het licht. Maar dat de geest gemakkelijk en natuurlijk zonder beelden kan zijn, en in deze toestand blijven, ook als hij denkt aan de tegenwoordigheid van God,blijkt uit het feit dat onze verbeeldingskracht zich iets kan
– 188 –
voorstellen zonder beelden, en zich op die voorstelling richten, met aandacht voor dingen die niet onder ons gezichtsvermogen vallen, en geen uiterlijke gestalte of vorm hebben.Bijvoorbeeld de voorstelling of de gewaarwording van onze ziel, of van de lucht, de warmte, de koude; als men zich in de kou bevindt kan men zich met de geest levendig de warmte voorstellen, hoewel ze geen vorm heeft, niet kan gezien worden, niet kan gemeten worden door iemand die zich in de kou bevindt. Zo ook kan men zich met de geest de tegenwoordigheid voorstellen van het geestelijke en onbereikbare wezen dat God is en zich ervan bewust zijn in het hart, zonder enig beeld te zien.
Pelgrim: Tijdens mijn tochten heb ik ook soms gehoord van godvruchtige mensen, die begaan waren met hun ziel en zaligheid,dat zij bang waren met het inwendig gebed te beginnen,uit vrees voor zelfbedrog. Aan sommigen heb ik met goed gevolg uit de Filokalia voorgelezen, waar Gregorius de Sinaïet leert,dat het gebed van het hart (wat niet hetzelfde is als het gebed van de geest) ons niet kan bedriegen; want ook al zou de vijand de warmte van het hart willen vervangen door zijn ongeregeld vuur, of de vreugde van het hart veranderen in een flauwe zoeterigheid, dan zouden de tijd, de ervaring en het gevoel zelf,dit bedrog wel ontmaskeren, ook bij hen die niet zo goed op de hoogte zijn van deze sluwe streken.
Ik heb er ook anderen ontmoet die tot mijn groot spijt, nadat ze de stilte en het gebed van het hart hadden leren kennen,door wat moeilijkheden of door hun eigen zondige zwakheid tot moedeloosheid vervallen zijn, en het inwendig gebed van het hart achterwege gelaten hebben.
Professor: Ja, dat is ook heel natuurlijk! Ik ondervind dat ook soms zelf, wanneer ik door mijn innerlijke toestand naar verstrooiing geneigd ben, of iets misdaan heb… Want het inwendig gebed van het hart is een heilige zaak, het is zich verenigen met God. Het zou niet passen, het zou al te driest zijn,een heilige zaak te willen voltrekken met een hart dat niet vooraf in stilte gezuiverd is door berouw en bekering en door een passende voorbereiding voor de gemeenschap met
– 189 –
God. Het is beter stom te worden voor God, dan onverstandige woorden uit te brengen met een duister en verstrooid hart.
Monnik: Het is zeer spijtig dat u er zo over denkt.Dat is de ‘neerslachtigheid’, die erger is dan elke zonde;het is het voornaamste wapen van het rijk der duisternis tegen ons…Onze ervaren heilige Vaders geven in dit geval een heel andere richtlijn. De eerbiedwaardige Nicetas Stethatus zegt:’Ook al was je gevallen en gezonken tot in het diepste van de hel,ook dan mag je niet wanhopen, maar moet je zich dadelijk tot God bekeren en Hij zal ook dadelijk je gevallen hart oprichten en je meer kracht geven dan voorheen.’ Na elke val, of elke zonde die ons hart gekwetst heeft, moet men het onmiddellijk in de tegenwoordigheid van God stellen om het te genezen en te reinigen zoals besmette dingen hun besmettende kracht verliezen, als ze enkele tijd onder de inwerking van de zonnestralen gelegen hebben. Dit wordt bevestigd door de uitspraken van heel veel geestelijke schrijvers. In de strijd tegen de vijanden van ons heil, d.w.z. onze passies,mogen we in geen geval ophouden met die levenwekkende activiteit,d.w.z. de aanroeping van Jezus Christus, die werkelijk aanwezig is in ons hart. Onze fouten mogen ons zeker niet beletten te wandelen in Gods tegenwoordigheid en het inwendig gebed te beoefenen. Ze mogen geen oorzaak zijn van onrust, ontmoediging en neerslachtigheid, maar ze moeten ons aanzetten om ons vlugger tot God te keren. Een kind dat leert lopen aan de hand van zijn moeder, zal, als het struikelt, zich dadelijk naar haar toekeren en zich stevig aan haar vastklampen.
Kluizenaar: Ik denk er zo over: de geest van neerslachtigheid en de aanvallen van twijfel worden het gemakkelijkst opgeroepen als men verstrooid van geest is, en de stilte en de inkeer niet onderhoudt. De oude wijze godsmannen kregen de bovenhand op hun neerslachtigheid, en ze werden begiftigd met een innerlijk vuur en een stevig godsvertrouwen in de stilte en de eenzaamheid; en ze gaven ons voor dit geval
– 190 –
een nuttige en wijze raad: ‘Zit zwijgend in je cel, en ze zal je alles leren.’
Professor:Gezien het vertrouwen dat ik in u stel, zou ik zeer graag uw kritische reactie horen op mijn gedachten over het stilzwijgen, dat door u zo opgehemeld wordt en over de weldaden van het eenzame leven, dat de kluizenaars zo graag onderhouden. Zie, ik denk daar zo over: volgens de wet van de natuur, voorgeschreven door de Schepper, staan alle mensen in een noodzakelijke afhankelijkheid van elkaar. Daarom zijn ze ook verplicht de een de ander te helpen in het leven,voor elkander te werken en voor elkander nuttig te zijn. Op deze sociabiliteit steunt de welvaart van het menselijk geslacht en de liefde tot de naaste. Maar hoe kan de zwijgende eremiet die zich afgezonderd heeft van de gemeenschap met de mensen, door zijn activiteit de naaste dienen? Welk nut heeft hij voor het welzijn van de menselijke gemeenschap?Hij verbreekt volledig de wet van de Schepper over de liefde-band met zijn naaste en de weldoende invloed op de medebroeder.
Kluizenaar: U hebt een verkeerde kijk op de stilte en daarmee is ook uw conclusie niet juist. Laten we dat eens uitvoerig uiteenzetten:
1) De eenzame zwijgende kluizenaar bevindt zich niet alleen niet in een een toestand van non-activiteit of nietsdoen,maar hij is buitengewoon actief en zelfs meer dan wie deelneemt aan het maatschappelijke leven. Hij werkt onvermoeibaar met zijn hogere geestelijke natuur, hij beschouwt, verbeeldt,waakt over de toestand en de ontwikkeling van zijn moreel leven. Dat is het werkelijke doel van de stilte. Dit alles is echter niet alleen nuttig voor de eigen vervolmaking maar ook voor de naaste, die niet de mogelijkheid heeft om zonder verstrooiing in zichzelf te keren voor de ontwikkeling van zijn moreel leven. Want de beschouwende zwijgende kluizenaar werkt mee en heeft een weldadige invloed ten bate van het zieleheil van zijn medemensen, door het mededelen van zijn innerlijke ervaring, hetzij mondeling (eerder uitzonderlijk),hetzij schriftelijk. Zijn bijdrage is zelfs groter en verhevener
– 191 –
dan die van een weldoener in de maatschappij, omdat de individuele materiele weldadigheid van de mensen in de wereld altijd beperkt is tot enkele mensen, die er van genieten.Maar wie een weldoener is op moreel gebied, door het verschaffen van een leer en beproefde methoden voor de vervolmaking van het geestelijk leven, die wordt een weldoener van hele volkeren. Zijn ervaringen en zijn onderrichtingen worden doorgegeven van geslacht op geslacht, van in de oudheid tot op onze dagen, zoals we nu nog kunnen zien en ondervinden tot ons voordeel. En dit verschilt in niets van de aalmoes omwille van Christus, die een uiting is van christelijke liefde; integendeel hij overtreft deze wat de gevolgen betreft.
2) De weldadige en nuttige invloed van de zwijgende kluizenaar op de naaste openbaart zich niet alleen in het mededelen van zijn stichtelijke beschouwingen over het innerlijk leven,maar ook het voorbeeld zelf van zijn teruggetrokken leven heeft zijn nut voor de aandachtige leek; het voert hem tot zelfkennis en verwekt in hem een gevoel van godsverering…De mens van de wereld die hoort spreken over de eerbiedwaardige eremiet of die langs zijn kluis komt, voelt zich aangespoord tot een godvruchtig leven, en wordt eraan herinnerd hoe een mens op aarde kan zijn, en hoe het voor de mens mogelijk is om terug te keren naar zijn primitieve beschouwende toestand, zoals hij uit de hand van zijn Schepper gekomen is. De zwijgende kluizenaar geeft onderricht door zijn stilzwijgen, hij is nuttig door zijn leven zelf, en hij sticht en overtuigt om te zoeken naar God…
3) Het aangehaalde nut vloeit alleen maar voort uit een stilzwijgen, dat echt is, verlicht, en door het licht van de genade overgoten. Maar ook als de kluizenaar niet deze genadegaven heeft, om een licht te kunnen zijn voor de wereld,en als hij deze weg alleen maar ging, om zich te verbergen voor de gemeenschap met zijn naaste, omwille van zijn luiheid en nalatigheid en omwille van een verleidelijk en slecht voorbeeld,ook dan nog doet hij misschien iets zeer nuttigs en heeft hij een weldoende invloed op de maatschappij,waarin
– 192 –
hij zich bevond, zoals wanneer een tuinman de droge en onvruchtbare takken uitsnijdt en de schadelijke scheuten verwijdert, zodat de betere en de nuttige ongehinderd kunnen groeien. Dat is reeds veel en het heeft maatschappelijk zijn nut, dat de kluizenaar, door zich terug te trekken, de verleiding wegneemt, die ongetwijfeld het gevolg zou geweest zijn van zijn ergerlijk leven tussen de mensen en die de naaste zedelijk zou geschaad hebben.
Over het belang van het stilzwijgen zegt de heilige Isaak de Syriër het volgende: ‘Wanneer men langs de ene kant alle daden van dit leven plaatst en langs de andere kant het stilzwijgen, dan zal men zien dat het stilzwijgen de doorslag geeft.’
‘Wie tekenen en wonderen en machtsdaden bewerken in deze wereld kunnen niet vergeleken worden met hen,die het stilzwijgen welbewust beleven. Bemin de inactiviteit van het stilzwijgen,meer dan het spijzigen van hongerigen in de wereld en het bekeren van hele volkeren tot God. Het is beter je zelf los te maken van de banden der zonde, dan slaven te bevrijden uit de slavernij.
Zelfs de heidense wijzen erkenden ook het nut van het stilzwijgen:de filosofische school van de neoplatonici met haar vele vermaarde volgelingen, onder leiding van de filosoof Plotinos,heeft het beschouwende inwendige leven, dat voornamelijk door het stilzwijgen bereikt wordt,heel diep behandeld… Een geestelijk schrijver heeft eens gezegd, dat als de staat zich zou ontwikkelen tot de hoogste graad van beschaving en moraliteit, dat er ook dan nog een behoefte zou bestaan aan mensen met andere doelstellingen dan de maatschappelijke en burgerlijke activiteit, namelijk met een beschouwend doel; om de geest van waarheid, die we van de voorbije eeuwen ontvangen, te bewaren voor de komende eeuwen en door te geven aan onze nakomelingen. Zulke mensen in de kerk zijn eigenlijk de eremieten, anachoreten en kluizenaars.
Pelgrim: Ik geloof dat niemand zozeer de uitmuntendheid van het stilzwijgen heeft geprezen als de heilige Joannes Climacus.
– 193 –
‘Het stilzwijgen, zegt hij, is de moeder van het gebed,de terugkeer uit de gevangenschap van de zonde; men gaat vooruit in de deugd zonder het te weten en men stijgt voortdurend op naar de hemel.’ Om ons het nut en de noodzaak van het stilzwijgen en van de eenzaamheid te laten zien,hield Jezus Christus zelf vaak op met zijn prediking in het openbaar en ging naar een stille plaats voor gebed en rust.
De beschouwende zwijgende kluizenaars zijn als zuilen,die met hun onophoudelijk gebed de vroomheid van de Kerk schragen. Reeds in de oudheid kan men zien, hoe vele godvruchtige leken, ook koningen en hun beambten, naar de verblijfplaatsen van de woestijnvaders en van de kluizenaars trokken om hun gebed te vragen en daardoor gesterkt en gered te worden. Dus ook de zwijgende anachoreet kan zijn naaste dienen en door zijn eenzaam gebed bijdragen tot het nut en het welzijn van de gemeenschap.
Professor: Kijk, er is nog een gedachte waarmee ik nogal wat last heb: er is bij ons, christenen, een algemeen aanvaarde gewoonte om elkanders gebed te vragen; om te verlangen dat er door een ander voor mij gebeden wordt, en vooral door een lid van de Kerk, waarin ik vertrouwen heb. Zou dat niet gewoon een uiting zijn van eigenliefde, of een gewoonte die men zo maar overgenomen heeft van anderen, iets wat men zegt zoals men dat gehoord of gedroomd heeft,zonder er verder op in te gaan? Zou God wel behoefte hebben aan de voorspraak van een mens, als Hij alles beschikt en uitvoert volgens zijn algoede Voorzienigheid en niet volgens onze wensen? Hij weet en ordent toch alles, vóór wij het vragen,zoals het heilig Evangelie zegt! Zou het gebed van velen meer kracht hebben dan het gebed van één ziel, om zijn beslissingen te beïnvloeden? Zou God dan iemand zijn die naar het gezicht ziet? Hoe zou het gebed van een ander mij kunnen redden, als iedereen ofwel beloond, ofwel gestraft wordt volgens zijn werken? Daarom is de vraag om andermans gebed (naar ik meen) alleen maar een vrome uiting van geestelijke beleefdheid, waarbij men nederigheid ten toon spreidt en het
– 194 –
verlangen om genoegen te doen, door iemand hogere eer te betuigen;meer is het niet.
Monnik: Uiterlijk gezien en volgens de zuivere menselijke filosofie zou men het misschien zo kunnen voorstellen.Maar het geestelijke verstand,bestraald door het licht van de godsdienst en gevormd door de ervaring van het inwendig leven,dringt dieper door; het heeft een helderder inzicht en ontdekt op wonderbare wijze een voorstelling die helemaal in strijd is met wat u aangegeven hebt. Om het u vlug en duidelijk te laten begrijpen zullen we het uitleggen met een voorbeeld en deze waarheid toetsen aan Gods woord. Bijvoorbeeld: een leerling kwam bij een leraar om onderricht te krijgen. Een zwakke aanleg maar ook luiheid en verstrooidheid beletten de leerling vooruitgang te maken in de les en plaatsen hem in de categorie van de luien en de niet geslaagden. Hij leed daaronder en hij wist niet wat gedaan om te strijden tegen zijn gebreken. Eens kwam hij bij een andere leerling, een klasgenoot die veel meer aanleg had dan hij, maar ook meer ijver en betere resultaten, en hij vertelde hem zijn leed. De ander kreeg medelijden en stelde voor om samen te werken: ‘We zullen samen studeren, zei hij, het zal aangenamer zijn en we zullen ook betere resultaten hebben.’
Ze begonnen dus samen te studeren, en elk van beiden gaf wat hij begrepen had, door aan de ander; de leerstof was immers dezelfde. En wat gebeurde er na enkele dagen? De slordige werd een ijverige leerling. Zijn onachtzaamheid veranderde in ijver, hij begon graag te leren en hij werd vlug van begrip. Dit had gunstige invloed op zijn karakter en zijn gedrag.
En ook zijn vlugge kameraad kreeg nog meer vaardigheid en werklust. De wederzijdse invloed had dus voor beiden zijn nut… Dat is ook heel natuurlijk. De mens wordt geboren in een gemeenschap van mensen; zijn verstand en zijn opvattingen ontwikkelt hij door de mensen; de levensgewoonten,de emoties, de verlangens en strevingen, in één woord alles neemt hij over door het voorbeeld van zijn gelijken. Daar het leven van de mensen verloopt in een zeer nauwe wisselwerking
– 195 –
en met een krachtige invloed van de een op de ander,zal wie tussen bepaalde mensen leeft, zich ook hun activiteiten,zeden en gewoonten eigen maken. Zo kan een koele vurig worden en een stomme geslepen; en een luie kan aangespoord worden tot activiteit, door deel te nemen aan het leven van een medemens. Een geest kan zich mededelen aan een andere geest. De een kan weldoende inwerken op de ander; hij kan hem aanmoedigen bij neerslachtigheid, hem afbrengen van het kwaad en aansporen tot heilige activiteit; en als de een de ander helpt kunnen ze vromer, heiliger en God welgevalliger worden. Dat is het geheim van het gebed voor de anderen en dat verklaart het vrome gebruik van de christenen om voor elkander te bidden en het gebed van de broeders te vragen.Hier aan kan men zien dat God niet ‘welwillend gestemd wordt’ door de vele smeekgebeden en voorspraken, (zoals de machtigen der aarde) maar de geest en de kracht van het gebed zelf reinigen de ziel waarvoor gebeden wordt; ze wordt erdoor aangespoord en bekwaam gemaakt voor de vereniging met God.
Als het wederzijdse gebed van de mensen op aarde al zo vruchtbaar is,dan spreekt het vanzelf dat, als we bidden voor hen die heengingen, dit langs beide kanten goed zal doen,gezien de enge band tussen de hemel en de aarde.Zo kan men ook de zielen van de strijdende kerk in gemeenschap brengen met de zielen van de triomferende kerk, of wat hetzelfde is,met de ontslapenen.
Alles wat ik nu gezegd heb, is weliswaar een psychologische beoordeling; maar als we de heilige Schrift openslaan kunnen we de waarheid ervan toetsen:
1) Jezus Christus zegt tot de aposel Petrus: ‘Ik heb voor je gebeden, dat je geloof niet zou wankelen.’ (Luc. 22,32) Het is dus de kracht van het gebed van Christus, die Petrus sterkt en hem moed geeft bij de bekoringen tegen het geloof.
2) Wanneer de apostel Petrus gevangen werd gehouden in de kerker, werd er door de Kerk ijverig voor hem gebeden. Hier ziet men dus de hulp van het gebed in de droevige omstandigheden van het leven.
– 196 –
3) Maar het gebod om voor de naaste te bidden wordt het duidelijkst uitgedrukt door de heilige Jacobus: ‘Belijdt elkaar uw zonden en bidt voor elkaar opdat ge genezen moogt; veel vermag het gebed van een rechtvaardige. (Jac. 5,16)’. Hier wordt dus heel stellig het hoger aangegeven psychologisch besluit bevestigd.
En wat te zeggen over het voorbeeld, dat de apostel Paulus geeft als model voor het wederzijds gebed? Een schrijver heeft opgemerkt dat het voorbeeld van de heilige Paulus ons moet leren, hoezeer we nood hebben aan het wederzijdse gebed van de een voor de ander, aangezien deze grote heilige,deze machtige geestelijke kampvechter erkent dat hij deze geestelijke hulp van het gebed nodig heeft. In zijn brief aan de Hebreeën drukt hij zijn vraag als volgt uit: ‘Bidt voor ons; we denken wel een goed geweten te hebben daar we in alle omstandigheden goed trachten te leven'(13,18).
Als we hier op letten, dan zou het toch wel onverstandig zijn,alleen maar op ons eigen gebed en onze eigen vooruitgang te betrouwen, als zulk een begenadigde heilige man, door deemoed geleid, aan de naasten (de Hebreeën) vraagt om hun gebed met het zijne te verenigen. Nederigheid, eenvoud en verbondenheid in de liefde past dan zeker ook wel voor ons,en zelfs van de zwakste gelovige mogen we de hulp door het gebed niet afwijzen of minachten, als zelfs de scherpzinnige geest van de apostel Paulus geen kieskeurigheid aan de dag legde. Hij vroeg het gebed van allen in het algemeen, wetende dag Gods kracht in zwakheid wordt voltrokken. Bijgevolg kan ze soms tot haar recht komen in zwakke en onaanzienlijke bidders.
Als we door dit voorbeeld overtuigd zijn,kunnen we nog opmerken, dat het gebed van de een voor de ander de band van de christelijke liefde, die ons door God gepredikt is, verstevigt. Het getuigt ook van de nederigheid in de geest van de bidder en daardoor wordt het wederzijds gebed nog vuriger.Professor: Uw analyse en uw bewijsvoering waren prachtig en juist. Maar ik ben nieuwsgierig, om ook iets te horen over de methode en de vorm van het gebed voor de naaste.Want
– 197 –
ik denk dat de vruchtbaarheid en de aantrekking van het gebed afhangt van de levende betrokkenheid op de naaste en voornamelijk van de voortdurende invloed van de geest van de bidder op de geest van hem die het gebed vraagt.Maar zal een zulk danige gesteltenis van de ziel haar dan niet aftrekken van het onophoudelijke staan in de onzichtbare tegenwoordigheid van God, en de ziel tevens ervan weerhouden haar eigen noden uit te storten voor God?
Of als men slechts een of twee keer per dag zijn naaste met volle overgave in het geheugen zou oproepen en voor hem om hulp vragen aan God, zou dat voldoende zijn, om deze ziel aan te trekken en te versterken? Kort gezegd, ik zou willen weten hoe en onder welke vorm men moet bidden voor de naaste.
Monnik: Als wij een gebed tot God richten, om het even waarvoor, dan moet of mag dat gebed ons niet aftrekken van het staan voor God; want als we een gebed richten tot God,dan gebeurt dat natuurlijk in zijn tegenwoordigheid…Wat nu de wijze betreft om te bidden voor de naaste, moet men opmerken dat de kracht van dit gebed bestaat in de oprechte christelijke deelneming met de naaste en in deze mate heeft het gebed invloed op hem. Als men aan de naaste denkt,-ofwel op het uur dat daarvoor vastgesteld is,-dan moet men de blik van de geest op God richten en een gebed opzeggen in deze vorm:’Barmhartige Heer,uw wil geschiede! Gij die wilt dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen,red uw dienaar (N….) en heb medelijden met hem. Aanvaard mijn verlangen als een kreet van de liefde,die door u gepredikt is.’ Gewoonlijk worden deze woorden herhaald telkens de ziel er neiging toe voelt, ofwel zegt men dit gebed met het gebedssnoer. Ik weet uit ervaring, hoe weldadig dit gebed inwerkt op hen, voor wie men bidt.
Professor: Dit stichtelijke gesprek en de heldere gedachten,die ik geput heb uit uw uiteenzettingen, zullen onuitwisbaar in mijn geheugen geprent blijven. Mijn erkentelijk hart is er u hoogachting en dankbaarheid voor verschuldigd.
Pelgrim en Professor: Zo is de tijd gekomen voor ons,om te
– 198 –
vertrekken. Mogen wij u met aandrang vragen ons met uw gebed op onze tocht te vergezellen.
Starets: De God van de vrede,die onze Heer Jezus Christus,de grote herder van de schapen door het bloed van het eeuwig verbond uit de dood heeft opgewekt, moge u bevestigen in alle goeds, en moge Hij in ons uitwerken wat Hem behaagt,door Jezus Christus; Hem zij de glorie in de eeuwen der eeuwen.
Amen.
– 199 –
