– 82 –
kamerdienaar. Ik kon mijn woede niet bedwingen en gaf hem een hevige klap op het hoofd;en ik stuurde hem weg bij mij,hij moest terug naar zijn dorp. Dat was ‘s avonds gebeurd,maar ‘s morgens was de man dood, ten gevolge van een letsel aan het hoofd. De zaak werd echter niet uit gepluisd, en al had ik zelf wel spijt dat ik onvoorzichtig geweest was,toch vergat ik het geval nogal vlug.
Er gingen zes weken voorbij en toen begon die gestorven kamerdienaar aan mij te verschijnen, vooral in de slaap. Elke nacht kwam hij mij lastig vallen en mij verwijten maken. Altijd maar herhaalde hij: ‘Jij hebt geen geweten! Jij bent een moordenaar.’ Later begon ik hem ook overdag te zien,als ik wakker was. Hij begon mij hoe langer hoe meer te verschijnen, en tenslotte kwelde hij mij bijna voortdurend. Samen met hem begon ik ook nog andere overledenen te zien,die ik wreed had doen lijden, en ook vrouwen die ik verleid had.Allen maakten mij onophoudelijk verwijten en lieten mij geen rust meer. Ik kon zelfs niet meer eten of slapen of ergens mee bezig zijn.Ik raakte helemaal uitgeput. Ik was nog juist vel over benen. Zelfs de knapste dokters konden mij, spijts al hun moeite, niet genezen. Ik ging kuren volgen in verre streken,maar na een half jaar daar verzorgd te zijn, ondervond ik nog niet de geringste verlichting. De vreselijke verschijningen namen zelfs nog toe, en meer dood dan levend kwam ik vandaar terug. Zonder dat mijn ziel het lichaam verlaten had,ondervond ik eigenlijk ten volle de folteringen van een ziel in de hel. Toen ben ik gaan geloven, dat er een hel bestaat en kon ik begrijpen wat dat betekent.
In deze pijnlijke toestand werd ik mij bewust van mijn zon-den. Ik kreeg berouw, ging te biecht, schonk de vrijheid aan alle mensen die bij mij in dienst waren. Ik deed de gelofte mij heel mijn leven te onderwerpen aan alle soorten boetedoeningen en te gaan leven als een onbekende bedelaar. Omwille van mijn zondig leven, wou ik de laagste dienaar zijn van de mensen uit de laagste stand. Zodra ik dat vaste besluit genomen had,hielden mijn onrustbarende visioenen op. Ik voelde zulk een vreugde en zulk een zalig genot omwille van deze
– 83 –
verzoening met God, dat ik dit niet ten volle onder woorden kan brengen. Hier leerde ik ook door ervaring wat de hemel betekent en hoe het Rijk Gods zich realiseert in onze harten.Weldra was ik weer volledig gezond en voerde ik mijn voornemen uit. Met de pas van een oud-soldaat,verliet ik heimelijk mijn geboortestreek en zo zwerf ik nu reeds vijftien jaar door Siberië. Soms heb ik mij verhuurd bij de boeren als dagloner, soms bedelde ik om voedsel in Jezus’ naam.Maar wat een zaligheid heb ik geproefd te midden van al deze ontberingen! Wat een geluk en wat een gewetens rust! Dat kunnen alleen zij ten volle aanvoelen die door de barmhartigheid van onze Middelaar uit de folteringen van de hel zijn overgebracht naar Gods hemel.
Toen hij dat verteld had, overhandigde hij mij zijn testament,om het op te sturen naar zijn zoon, en de volgende dag is hij dan gestorven. Een afschrift van zijn testament heb ik altijd bij mij op zak. Het steekt in mijn Bijbel. Als je wil kan ik het je laten lezen.’
‘Graag’
Ik vouwde het open en las: In de naam van de Allerhoogste Heilige Drievuldigheid, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Mijn dierbare zoon,
Het is reeds vijftien jaar dat je je vader niet meer gezien hebt,maar hoewel hij onbekend bleef, heeft hij toch soms inlichtingen genomen over jou. Hij bleef voor jou een vaderlijke liefde koesteren en deze liefde spoort hem aan, om jou nog deze regels te schrijven voor zijn dood. Ze mogen jou een les zijn voor het leven.
Je weet hoeveel ik geleden heb omwille van mijn onvoorzichtigheid en mijn ongeregeld leven. Maar je weet niet welk geluk ik gekend heb tijdens mijn omzwervingen als een onbekende pelgrim; daar heb ik de zoete vruchten geplukt van boete en bekering.
Ik zal rustig sterven bij mijn goede weldoener, die ook jou weldoener is, want de weldaden die de vader bewezen worden
– 84 –
raken ook het gevoelige hart van de zoon. Toon hem dus mijn dankbaarheid, zoveel als je kunt.
Ik stuur je mijn vaderlijke zegen en vraag je met aandrang God steeds indachtig te zijn en je geweten trouw te blijven volgen. Wees voorzichtig, goed en verstandig; behandel je ondergeschikten zo welwillend en liefdevol mogelijk;veracht de bedelaars en de pelgrims niet, en denk er aan1,dat je stervende vader ook. maar als bedelaar en pelgrim rust en vrede gevonden heeft voor zijn gekwelde ziel.
Ik roep Gods zegen over je af en sluit rustig de ogen, met de hoop op het eeuwig leven, door de barmhartigheid van onze Middelaar Jezus Christus.
Je vader…
Zo bleef ik met die goede heer liggen praten. Ik vroeg hem ook nog: ‘Ik denk, vadertje, dat u met dat pelgrimshuis toch ook niet gespaard blijft van zorgen en drukte? Want velen van onze broeders zijn toch maar pelgrim geworden om niets te moeten doen, of uit luiheid, ofwel halen ze streken uit onderweg zoals ik al zelf gezien heb.’
‘Er zijn niet veel zulke gevallen geweest,antwoordde de heer, de meesten die hier kwamen waren echte pelgrims.Maar voor de deugnieten zijn we juist vriendelijker en we trachten ze bij ons te doen blijven. Als ze tussen onze goede bedelaars en broeders van Christus leven,bekeren ze zich dikwijls en verlaten ons tehuis dan als nederige en eenvoudige mensen. Onlangs hadden we nog zo een geval. Een burger uit de stad hier was zo losbandig geworden dat iedereen hem dadelijk met de knuppel van zijn deur wegjoeg;niemand wou hem nog een korst brood geven. Hij was een dronkaard en een woeste vechtersbaas en daarbij nog een dief ook. Zo kwam hij eens met grote honger bij ons aan.Hij vroeg brood en ook wijn daar was hij vooral op gebrand.We ontvingen hem vriendelijk en zeiden: ‘Blijf bij ons wonen en we zullen je wijn geven, zoveel als je wil. Maar laten we goed afspreken,dat je dadelijk gaat slapen, als je gedronken hebt.Als je onwillig wordt of herrie gaat schoppen, dan zullen we
– 85 –
je zeker wegjagen en je nooit meer opnemen. Daarenboven geven we je dan ook aan bij de politieprefect, zodat je gedeporteerd wordt als een verdachte vagebond.’ Hij ging daarmee akkoord en bleef bij ons. Een week, of misschien nog langer, dronk hij werkelijk zoveel als hij wou. Maar om zijn belofte na te komen, en ook wel uit verslaafdheid aan de wijn (om er niet van beroofd te worden) legde hij zich dan te slapen, of trok hij de moestuin in. Hij lag daar en hield zich rustig. Als hij nuchter was, spraken de broeders uit het pelgrimshuis met hem en gaven hem de raad, om zich van de drank te onthouden, al was het maar een beetje om te beginnen. Zo begon hij geleidelijk minder en minder te drinken,en tenslotte, na drie maanden, dronk hij niet meer. Nu heeft hij zich ergens verhuurd en eet hij niet langer als een nietsnut andermans brood. Eergisteren is hij nog bij mij geweest om mij te bedanken.’
‘Wat een wijsheid, dacht ik, wat is hier tot stand gebracht,geleid door de liefde!’ En ik riep uit: ‘Geprezen zij God, die zo zijn genade openbaart binnen de geborgenheid van uw huis!
Na deze gesprekken hadden wij maar een uur of anderhalf uur geslapen, toen we het gelui hoorden voor de morgendienst. We stonden op en gingen erheen. Maar toen we in de kerk kwamen was de vrouw er al lang met de kindertjes.We volgden de morgendienst en dadelijk daarna begon de heilige Liturgie. Ik stond met de heer en het zoontje bij het altaar,terwijl de vrouw en het dochtertje bij de deur van de ikonostase (19) stonden om de opheffing van de heilige gaven te kunnen zien.
Mijn God, hoe baden deze mensen! Ze knielden neer en stortten tranen van vreugde. Hun gelaat was zo stralend dat ook ik begon te wenen als ik er naar keek.
Na de dienst kwamen de heer en de vrouw des huizes,de priester,het personeel en alle bedelaars samen aan tafel voor het middagmaal. Er kwamen wel veertig bedelaars,waaronder
(19) Met iconen versierde afsluiting tussen het altaar en het schip van de kerk.
– 86 –
gebrekkigen en zieken en ook kinderen. Allen zaten aan dezelfde tafel. Het was stil en er werd niet gesproken. Ik verstoutte mij zachtjes tegen de heer te zeggen: ‘In de kloosters leest men de levens der heiligen voor onder de maaltijd.U kan dat ook doen; u hebt gans het menologium.’
Hij richtte zich tot zijn vrouw: ‘Inderdaad,Masja,we zouden deze regeling kunnen invoeren. Dat zal heel stichtelijk zijn. Ik zal de eerstvolgende maaltijd lezen, daarna jij, dan de priester, en dan de broeders die het kunnen, de een na de ander.’
De priester at verder en zei ondertussen: ‘Ik luister wel graag, maar om te lezen heeft uw dienstwillige dienaar niet de minste vrije tijd. Als ik thuis kom weet ik niet wat eerst gedaan,zo komen de zorgen en de drukte op me af. Dat moet gedaan en dat moet gedaan! Een hoop kinderen, en dan nog het vee erbij! Heel mijn dag is volzet zonder tijd om te lezen of te studeren. En wat ik in het seminarie geleerd heb,ben ik al lang vergeten.’
Ik huiverde toen ik dat hoorde, maar de vrouw des huizes,die naast mij zat, nam mij bij de hand en zei: ‘Onze priester zegt dat uit nederigheid. Hij vernedert zichzelf altijd zo. Maar hij is een heel goed mens en hij leidt een leven dat welgevallig is aan God. Hij is al twintig jaar weduwnaar en zorgt voor de opvoeding van een hele familie kleinkinderen en daarbij doet hij vaak dienst in de kerk.’
Hierbij kwam mij de volgende uitspraak van Nicetus Stethatus te binnen uit de Filokalia: ‘Wij oordelen over de aard van de dingen volgens de innerlijke gesteltenis van onze eigen ziel, d.w.z.zoals iemand zelf is, zo oordeelt hij ook over de anderen. Wie gekomen is tot het ware gebed en de liefde,maakt geen onderscheid tussen de dingen; hij maakt geen onderscheid tussen een rechtvaardige en een zondaar, maar bemint ze allen evenzeer; hij oordeelt niet, zoals ook God de zon laat schijnen en het laat regenen voor rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’
Weer werd er gezwegen. Tegenover mij zat een bedelaar die volledig blind was. De heer des huizes hielp hem om te eten;
– 87 –
hij haalde de vis van de graat,gaf de lepel aan en schepte soep voor hem in. Toen ik aandachtig toekeek, zag ik dat deze bedelaar zijn mond altijd open hield en dat zijn tong steeds bewoog, alsof ze trilde. Ik dacht dat hij misschien aan het bidden was en ging beter op hem letten.
Tegen het einde van de maaltijd werd een oude vrouw ongesteld.Ze kreeg krampen en begon te kreunen. De heer en zijn vrouw brachten haar naar hun eigen slaapkamer en legden haar te bed, en de vrouw des huizes bleef voor haar zorgen.De priester ging voor alle zekerheid de heilige sacramenten halen en de heer deed zijn koets inspannen en reed ijlings naar de stad om de dokter. Allen gingen uiteen.
Ik voelde om zo te zeggen een honger naar het gebed. Ik had een sterke behoefte om mij uit te storten in het gebed,maar er was reeds twee dagen geen eenzaamheid of geen stilte meer geweest. Ik voelde in mijn hart als het ware een vloed die trachtte door te breken en uit te stromen over al mijn leden.Maar door dat in te houden kreeg ik een hevige pijn aan het hart,(die weliswaar in zekere zin aangenaam was) en daarvoor was rust en stilte nodig, om te kunnen genezen door het gebed. Het werd mij duidelijk waarom de echte beoefenaars van het spontane gebed vluchten voor de mensen en zich verschuilen in onbekende streken. Ook begreep ik waarom de heilige Hesychius zelfs het meest geestelijke en nuttige gesprek leeg gepraat noemt als het te lang duurt. En de heilige Efrem de Syriër zegt: ‘Een goed gesprek is zilver,maar zwijgen is zuiver goud.’
Terwijl ik dit alles overwoog, ging ik naar het tehuis. Allen lagen daar te rusten na het middagmaal. Ik kroop op zolder,legde mij ook te rusten en bad. Toen de bedelaars opstonden,ging ik de blinde zoeken en trok met hem naar de moestuin.We gingen op een eenzame plaats zitten en begonnen met elkaar te spreken.
‘Zeg me eens ter liefde Gods en tot stichting van mijn ziel,verricht jij het Jezusgebed?’
‘Ik verricht het reeds lang zonder ophouden.’
‘Wat voel je daardoor?
– 88 –
‘Alleen maar dat ik noch dag, noch nacht, zonder het gebed kan zijn.’
‘Hoe heeft God je deze oefening leren kennen? Vertel mij dat eens heel uitvoerig, beminde broeder.’
‘Ik ben een vakman uit deze streek, en ik verdiende mijn brood als kleermaker. Ik trok ook door de dorpen in de andere gouvernementen, en naaide kleren voor de boeren.Eens bleef ik in een bepaald dorp lange tijd bij dezelfde boer, om te naaien voor zijn familie. Op een feestdag zag ik bij de iconen drie boeken liggen en ik vroeg: ‘Wie van u kan er lezen?’ Ze antwoordden: ‘Niemand, deze boeken komen van een oom die wel kon lezen.’ Ik nam een boek en sloeg het zo maar open en daar las ik -ik weet het nu nog de volgende woorden: ‘Het onophoudelijk gebed bestaat hierin, dat men de naam van God altijd aanroept, hetzij men spreekt, of zit, of gaat, of werkt, of iets anders doet; op elke plaats en ten allen tijde moet men de naam van God aanroepen.’ Toen ik dat gelezen had, dacht ik dat dit heel goed voor mij paste, en ik begon tijdens mijn werk als kleermaker, al fluisterend, het gebed te verrichten, en dat beviel mij. Mijn huisgenoten bemerkten het en begonnen met mij te spotten. ‘Ben je een tovenaar dat je onophoudelijk aan het prevelen bent? Of wat doe je?’Om mijn bidden verborgen te houden, bewoog ik niet langer de lippen, en begon ik het gebed alleen maar met de tong te verrichten. Tenslotte ben ik er zo aan gewend geraakt dat mijn tong vanzelf het gebed dag en nacht opzegt en dat is mij zeer aangenaam.
Lange tijd ben ik zo rondgetrokken en toen werd ik plots volledig blind. In onze familie krijgen ze bijna allemaal donker vocht in de ogen. Omdat ik zo arm ben,hebben ze voor mij een plaats gekregen in het armenhuis van Tobolsk,de hoofdplaats van ons gouvernement. Ik ben nu op weg daarheen. Maar deze mensen hebben mij hier gehouden; ze willen mij een rijtuig bezorgen tot Tobolsk.’
‘Wat was de titel van het boek dat je gelezen hebt?Was het de Filokalia?’
‘Ik weet het echt niet. Ik heb het titelblad niet bekeken.’
– 89 –
Ik pakte mijn Filokalia en zocht in het vierde deel bij Patriarch Kallistus, de woorden die de blinde mij uit het hoofd opgezegd had, en ik las ze hem voor.
‘Dat is hetzelfde, riep de blinde,lees verder, broeder,het is zeer schoon.’
Als ik kwam aan de passage, waar gezegd wordt dat men moet bidden met het hart,begon hij af te komen met vragen:’Wat betekent dat? Hoe moet men dat doen?’
Ik zei hem dat heel de leer over het gebed van het hart uitvoerig wordt uiteengezet in dat boek, namelijk de Filokalia.En vol ijver vroeg hij mij, dat ik hem alles zou voorlezen.
‘Wel we zullen dat doen, zei ik. Wanneer ben je van plan naar Tobolsk te gaan?’
‘Zo spoedig mogelijk,’ zei hij.
‘Wel ik denk van morgen ook op weg te gaan. We kunnen dus samengaan, en ik zal je alles voorlezen, wat betrekking heeft op het gebed van het hart. Ik zal je ook een methode aangeven om de plaats van het hart te vinden en erin af te dalen”Ja maar, het rijtuig?’ vroeg hij.
‘Waarom is er toch een rijtuig nodig? Je doet alsof Tobolsk ik weet niet hoe ver is. Het is toch maar honderd vijftig werst.We zullen kalmpjes aan stappen, en je zal zien hoe goed het is,om met twee door de eenzaamheid te trekken.Want spreken en lezen over het gebed gaat gemakkelijker onder het lopen.’
En zo spraken we af. ‘s Avonds kwam de heer des huizes ons allen halen voor het avondmaal en daarna legden we hem uit dat ik met de blinde op weg zou gaan en dat we geen rijtuig nodig hadden, om zo gemakkelijker de Filokalia te lezen.Hierop zei hij: ‘De Filokalia bevalt mij ook ten zeerste. Ik heb al een brief geschreven en het geld klaargelegd, om het naar Petersburg te zenden, als ik morgen naar het gerechtshof ga. Dan kunnen ze me per kerende post de Filokalia opsturen.’
Zo begaven we ons ‘s morgens op weg, nadat we onze gastheer en zijn vrouw ten zeerste bedankt hadden voor hun goedheid en liefde, die echt als voorbeeld zouden kunnen
– 90 –
gelden. Ze deden ons nog een werst uitgeleide en toen namen we afscheid. Ik trok verder met de blinde, maar we deden het bij beetjes, tien tot vijftien werst per dag. De rest van de tijd zaten we op eenzame plaatsen de Filokalia te lezen. Ik las hem alles voor over het gebed van het hart in de volgorde die mijn starets zaliger mij aangegeven had,d.w.z. beginnen met het boek van Niceforus de Monnik, dan Gregorius de Sinaïet,enz.Hoe gretig en aandachtig luisterde hij naar alles! Het beviel hem allemaal en hij genoot er echt van. Daarna begon hij mij zulke vragen over het gebed te stellen, dat mijn geest niet in staat was er op te antwoorden.
Toen ik hem het noodzakelijkste uit de Filokalia had voorgelezen, begon hij met aandrang te vragen dat ik hem metterdaad de methode zou aangeven, om het hart te vinden met de geest en er de goddelijke naam van Jezus in binnenste brengen,om zo de zoetheid van het inwendig gebed te smaken. Ik begon hem te vertellen : ‘Wel, jij ziet niets, maar met de geest kan je zich nog indenken en voorstellen, wat je vroeger gezien hebt: een mens, of een of ander ding,of een van je ledematen, b.v. je hand of je voet. Kan je dat zich zo levendig voorstellen alsof je er naar kijkt, en kan je zich daarop richten en er naar streven, hoewel je ogen blind zijn?”Ja, dat kan ik,’ zei de blinde.
‘Juist zo moet je zich je hart voorstellen, je ogen er op richten als zou je er naar kijken doorheen je borst en je het zo levendig mogelijk voorstellen. En met je oren moet je aandachtig luisteren hoe het klopt, slag na slag. Als je dat kunt,dan moet je beginnen op de maat van het kloppen van je hart,terwijl je er naar kijkt, de woorden van het gebed uit te spreken,en wel op de volgende manier: Bij de eerste slag zeg of denk je ‘Heer’; bij de tweede ‘Jezus’; bij de derde ‘Christus’; bij de vierde ‘ontferm u’ en bij de vijfde ‘over mij’. En dat moet je vaak herhalen. Dat zal voor jou gemakkelijk zijn, want de basis en de voorbereiding voor het gebed van het hart heb je al.
Als je daaraan gewend bent,begin dan heel het Jezusgebed in en uit het hart te voeren, samen met de ademhaling, zoals de
– 91 –
Vaders het leren, d.w.z.: als je de lucht inademt moet je zeggen of denken ‘Heer Jezus Christus’, en als je uitademt ‘Ontferm u over mij’. Doe dat zo dikwijls en zoveel mogelijk,en je zal weldra een lichte, aangename pijn voelen in het hart,en daarna zal er een zekere gloed en warmte in komen. Zo zal je met Gods hulp komen tot het spontane, zoete, innerlijke gebed van het hart. Maar vermijd hierbij in alle geval je iets voor te stellen in de geest, en verdrijf ook om ‘t even welke verschijning, die zich zou voordoen. Laat zeker niets in de verbeelding komen, want de heilige Vaders leren ten steligste dat men bij het inwendig gebed zich vrij moet houden van beelden, om niet in bekoring te vallen.’
De blinde had met veel aandacht naar dat alles geluisterd,en begon ijverig te handelen volgens de aangegeven methode.En als we ‘s avonds ergens halt hielden, om er te overnachten,dan was hij vooral daar lange tijd mee bezig. Na een dag of vijf begon hij in het hart een sterke warmte en een onuitsprekelijk genot te voelen, vergezeld van een heel groot verlangen om onophoudelijk met dat gebed bezig te zijn. En dat gebed deed in hem de liefde tot Jezus Christus opengaan. Van tijd tot tijd zag hij ook een licht,hoewel hij er geen voorwerpen of zaken in kon onderscheiden. Als hij binnenging in zijn hart,had hij ook soms de indruk dat er als ‘t ware een hevige vlam van een brandende kaars, met een behaaglijk gevoel in zijn hart oplaaide, en door zijn keeI naar buiten sloeg, en hem verlichtte. En in dat licht kon hij zelfs ver verwijderde dingen zien, zoals eens gebeurd is.
Wij trokken in stilte door een bos en hij was helemaal verdiept in het gebed. Plots zei hij tegen mij: ‘Hoe spijtig, de kerk brandt al en ook de toren is ingevallen.’
Ik zei hem: ‘Hou op met die ijdele inbeeldingen. Het is een bekoring. Je moet alle dromen zo gauw mogelijk afwijzen.Hoe zou je kunnen zien, wat er gebeurt in de stad! We zijn er nog twaalf werst van. Hij gehoorzaamde, ging door met bidden en zweeg. Tegen de avond kwamen wij aan in de stad en ik zag inderdaad enkele platgebrande huizen en ook de klokketoren die ingevallen was. Hij was gebouwd geweest van
– 92 –
houten blokken. De mensen drongen er om heen en waren verwonderd dat de toren bij het neerstorten niemand verpletterd had. Naar ik kon nagaan was het ongeluk gebeurd juist op het tijdstip dat de blinde er mij over gesproken had.Hij zei mij: ‘Jij hebt mij gezegd dat mijn visioenen ijdele waan waren, maar nu zie je dat het echt was. Hoe zou ik dan de Heer Jezus Christus niet beminnen en Hem bedanken, omdat Hij zijn genade openbaart aan zondaars en blinden en dwazen. Ik dank ook jou, omdat je mij het gebed hebt geleerd.’Ik zei hem: ‘Het is goed dat je Jezus Christus bemint en bedankt, maar hoed je er voor allerlei visioenen te gaan beschouwen als rechtstreekse openbaringen van de genade.Want vaak kan dat allemaal ook op natuurlijke wijze gebeuren. Het ligt in de aard der dingen. De menselijke ziel is in zekere zin niet gebonden aan plaats of materie. Ze kan ook in de duisternis zien, of iets, dat heel ver verwijderd is, waarnemen alsof het dichtbij ware. Maar gewoonlijk geven we geen vrije loop aan deze vermogens van de ziel. We belemmeren ze, door ons te grof lichaam, of onze te verwarde geest of onze verstrooide gedachten. Maar als we ons concentreren op onszelf, en ons terugtrekken uit alles wat ons omringt,en onze geest verfijnen, dan gaat de ziel haar bestemming bereiken en handelen op een hoger niveau, dat bij haar natuur past. Ik hoorde van mijn starets zaliger, dat ook mensen die niet bidden, maar die hiervoor een zekere aanleg hebben, of ziekelijke personen, licht zien dat uit verschillende dingen komt; ze onderscheiden voorwerpen, zien hun eigen schim en dringen door in de gedachten van anderen. Maar wat bij het gebed van het hart rechtstreeks voortkomt van de genade Gods,dat is zo zoet dat geen tong het kan beschrijven. Men kan het ook niet verwarren met iets stoffelijks. Niets kan het evenaren en al het zintuiglijke staat heel laag, in vergelijking met de zoetheid van de genade die men gewaar wordt in het hart.’
Mijn blinde luisterde aandachtig en hij werd nog deemoediger. Het gebed in zijn hart ontwikkelde zich meer en meer en schonk hem een onbeschrijfelijk genot. Ik was daarover
– 93 –
ziels verblijd en ik dankte God van harte, dat hij mij de gelegenheid gegeven had, om zulk een begenadigde dienaar Gods te ontmoeten. Tenslotte kwamen we aan in Tobolsk. Ik bracht hem naar het armenhuis, waar we liefdevol afscheid namen van elkaar. Hij bleef daar, terwijl ik mijn tocht verder zette.
Ongeveer een maand trok ik op mijn gemak verder. Ik had nu diep ervaren, hoe men door goede voorbeelden kan gesticht en aangemoedigd worden. Ik las veel in de Filokalia en toetste er nog eens alles, wat ik aan de blinde gezegd had. Door zijn stichtend voorbeeld was de ijver, de erkentelijkheid en de liefde tot de Heer in mij nog aangewakkerd. Het gebed van het hart was mij zo zoet, dat ik niet kon aannemen, dat er iemand op aarde gelukkiger was dan ik. Ik kon mij ook niet voorstellen dat mijn gelukzaligheid in het hemelse koninkrijk nog groter en hoger zou zijn. Niet alleen had ik binnen in mijn ziel dat gevoelen,maar ook alles wat buiten mij was kwam mij zo verrukkelijk voor; alles spoorde mij aan tot liefde en dankbaarheid voor God:de mensen, de bomen,de gewassen,de dieren. Alles was mij zo vertrouwd en overal zag ik een weerspiegeling van de naam van Jezus Christus. Soms voelde ik mij zo licht, als had ik geen lichaam, en als ging ik niet,maar vloog ik vol blijdschap door de lucht. Soms keerde ik mij volledig in mijzelf en zag ik duidelijk heel mijn binnenste,en ik was vol verbazing over de wijsheid waarmee het menselijk lichaam is opgebouwd. Soms voelde ik zulk een vreugde als was ik tsaar geworden, maar te midden van al die vertroostingen verlangde ik toch om, als God het gaf,zo vlug mogelijk te sterven en mijn dankbaarheid uit te storten aan Zijn voeten.
Misschien had ik te overmatig willen proeven van deze vertroostingen, of misschien heeft God het zo willen toelaten,maar na enige tijd voelde ik een zekere angst en vrees in het hart. ‘Als er mij maar niet terug een ongeluk of een tegenslag overkomt gelijk toen met dat meisje, dat ik in de kapel het Jezusgebed geleerd had.’ De gedachten kwamen op mij af als donkere wolken en ik herinnerde mij de woorden van de
– 94 –
heilige Joannes van Karpathië. Hij zegt namelijk dat de leraar vaak belasterd wordt of onheil en beproevingen te dragen heeft,omwille van hen, die hij geestelijk geholpen heeft. Ik vocht tegen deze gedachten,door nog meer te bidden en kon ze daardoor volledig verdrijven. Ik vatte moed en zei bij mijzelf: ‘Gods wil geschiede; ik ben bereid alles te verdragen,wat Jezus Christus mij zal overzenden omdat ik zo zondig en hoogmoedig ben. Want de mensen, aan wie ik onlangs het mysterie van de inkeer tot het hart en van het inwendig gebed heb geleerd, waren daar reeds op voorbereid door de rechtstreekse inwerking van God.
Zo kwam ik tot rust en vertroost zette ik mijn tocht al biddend verder en ik was nog meer verheugd dan voorheen.
Twee dagen regende het en de weg was zo doorweekt dat men nauwelijks de voeten uit het slijk kon trekken. Zo stapte ik door de steppe, vijftien werst ver zonder ook maar een dorp tegen te komen. Tenslotte zag ik vlak naast de weg een gebouw. Ik was blij en ik dacht: ‘Ik ga vragen om hier te mogen overnachten. We zullen dan zien wat God ons morgen geeft.Misschien zal het beter weer zijn.’ Ik kwam naderbij en zag daar toen een dronken oude man, met een soldaten jas aan. Hij zat op de aanaarding tegen de muur van het gebouw.Ik boog voor hem en zei: ‘Aan wie moet ik hier vragen om te mogen overnachten?
‘Wie anders dan ik zelf zou je hier kunnen binnenlaten, riep de oude man, ik ben hier de baas! Dit is het poststation,en ik ben de postmeester.’
‘Wees dan zo goed, vadertje, mij hier te laten overnachten.”Maar heb je een pas? Laat eens de persoonsbeschrijving zien.’ Ik gaf hem de pas. Hij nam hem, hield hem in zijn hand,maar vroeg opnieuw: ‘Waar is je pas?’
‘U hebt hem in de hand,’ antwoordde ik.
‘Wel laten we dan binnengaan’ De postmeester zette zijn bril op en zei toen: ‘De persoonsbeschrijving klopt. Overnacht hier maar. Ik ben wel een goed mens,zie,ik geef je een borrel.’ ‘Ik drink niet; ik heb dat nog nooit gedaan,’ antwoordde ik. ‘Ha! Je spuwt er op! Maar eet dan toch ten-
– 95 –
minste met ons mee!’ Hij en de keukenmeid, een jonge vrouw, die ook graag dronk, gingen aan tafel, en ze lieten mij mee aanzitten. Heel de tijd van het avondmaal hadden ze ruzie; ze verwensten elkaar en op het einde werden ze zelfs handgemeen. De postmeester ging in het voorhuis slapen in de provisiekamer. De keukenmeid begon af te ruimen en de kommen en de lepels te wassen en bleef maar schelden op de oude. Ik zat daar en omdat ik zag, dat ze niet vlug tot bedaren zou komen, zei ik: ‘Moedertje, waar kan ik gaan slapen? Ik ben vermoeid van de reis.’
‘Wel, ik zal je een bed opmaken, vadertje!’ Ze schoof nog een bank tegen de bank aan het venster langs de voorkant, en legde er een doek en een hoofdkussen op. Ik ging liggen en deed alsof ik sliep.De keukenmeid bleef nog lang rondscharrelen. Eindelijk had ze alles opgeborgen, doofde het licht en kwam naar mij toe. Plots vloog heel het hoekvenster met glas en houtwerk aan diggelen en stortte neer met een verschrikkelijk gekraak. HeeI het gebouw stond te schudden. Buiten voor het raam klonk pijnlijk gekreun, geschreeuw en rumoer.
Van schrik sprong de meid achteruit en zakte midden in de kamer op de grond in elkaar. Buiten mijzelf sprong ook ik op en dacht dat de aarde onder mij open spleet. Daar brachten twee koetsiers een man binnen. Hij zat helemaal onder het bloed,zodat zijn aangezicht niet te zien was. Dit maakte mij nog meer bevreesd. Het was een koerier die hier vlug had willen veranderen van paarden. Maar de koetsier had de draai naar de poort niet goed genomen, en was met de dissel in het raam terechtgekomen. Daarbij lag er nog een greppel voor het huis en daarin was het voertuig omgeslagen. De koerier was eruit geworpen tegen een puntige paal, waarmee de berm versterkt was, en had zo een diepe wonde opgelopen aan het hoofd. Hij verzocht om water en wijn om zijn wonde uit te wassen. Hij ontsmette ze met de wijn, dronk zelf een glas en riep:’Paarden!’
Ik stond naast hem en zei : ‘Vadertje, u kunt met zulk een wonde toch uw reis niet voortzetten.’
– 96 –
Een koerier mag nooit ziek zijn,’ antwoordde hij, en bij vertrok in volle vaart.
De koetsier hadden de vrouw, die buiten kennis was, in de hoek bij de kachel gelegd, en haar toegedekt met een mat.Dat komt natuurlijk van de schrik, zeiden ze, ze heeft het goed zitten.’ De postmeester dronk nog een borrel en ging dan weer slapen. Ik bleef alleen achter.
De vrouw stond weldra op en begon als een verdwaasde van de ene kant naar de andere te lopen, en ging tenslotte naar buiten: Ik begon te bidden. Ik voelde mij uitgeput en sliep nog Wat,tot hei licht werd.
‘s Morgens nam ik afscheid van de postmeester en begaf mij op weg. Ik stapte door en richtte ondertussen mijn gebed met geloof, vertrouwen en dankbaarheid tot de Vader in de hemel,de schenker van alle vertroosting,omdat Hij mij behoed had voor een onheil dat zo dichtbij was,
Zes jaar na deze gebeurtenis kwam ik eens langs een vrouwenklooster en ging er bidden in de kerk. De overste was heel gastvrij voor pelgrims en nodigde mij na de Liturgie uit,om bij haar te komen. Ze liet mij thee brengen,en toen kwamen er plots onverwachte gasten voor haar. Ze ging er heen en ik bleef alleen achter met de nonnen die ons bediend had.den. Een eenvoudige zuster die thee ingeschonken had,wekte mijn nieuwsgierigheid en ik vroeg haar: ‘Bent U al lang in dit klooster, zuster?’
‘Vijf jaar, antwoordde ze, ze hebben mij hier als een krank.zinnige heen gebracht, en God is mij hier genadig geweest.Moeder overste heeft mij bij haar in het klooster gehouden en mij de sluier gegeven.’
‘Hoe bent u krankzinnig geworden,’ vroeg ik.
‘Van de schrik. Ik was in dienst gegaan op een poststation,en toen we sliepen vloog daar ‘s nachts een gespan door het raam. En van de schrik verloor ik mijn verstand, Mijn ouders trokken een jaar lang met mij van de ene heilige plaats naar de andere, maar ik ben pas hier weer genezen.’
Toen ik dat hoorde was ik zielsverblijd en bracht eer aan God die alles ten goede leidt.
– 97 –
‘Er is nog heel wat meer voorgevallen, zei ik, mij tot mijn geestelijke vader richtend; maar als ik alles na elkaar zou willen vertellen, dan zou ik op drie dagen er niet mee gedaan hebben. Laat mij misschien nog een geval vertellen. Op een heldere, zomerse dag zag ik langs de weg een kerkhof,of beter een ‘pogost’, d.w.z. een kerk met daarbij een paar huizen voor de geestelijken. Men luidde juist voor de Liturgie en ik ging er naartoe. Er kwamen ook mensen uit de omgeving. Anderen gingen niet naar de kerk, maar zaten in het gras. En toen ze mij zo vlug zagen doorstappen riepen ze mij na:’Je hoeft je niet zo te haasten.Je zal nog lang genoeg in de kerk kunnen staan voor de Liturgie begint. Het duurt daar allemaal heel lang; de priester is ziekelijk, het is een treuzelaar.’De priester was nog jong, maar zeer bleek en mager. Hij celebreerde heel langzaam, maar met veel godsvrucht en op het einde hield hij met veel gevoel een zeer mooie preek, over de verschillende manieren om de liefde tot God te verkrijgen.De priester riep mij daarna bij zich en nodigde mij uit om te blijven voor het middagmaal.
Aan tafel zei ik hem: ‘Vadertje, je celebreert met veel godsvrucht, maar het duurt toch nogal lang.’
‘Ja,antwoordde hij, en dat bevalt mijn parochianen niet erg;ze mopperen wel eens. Maar er is niets aan te doen. Ik wil elk woord van het gebed eerst overdenken en smaken en het pas dan met de mond uitspreken. Want als men het niet innerlijk aanvoelt of smaakt is elk woord dat men uitspreekt nutteloos,zowel voor mijzelf als voor de anderen. Alles hangt af van het inwendig leven en van de aandacht bij het gebed. Maar hoe weinig mensen houden zich bezig met het inwendig leven.”Dat komt, ging hij verder, omdat ze niet echt verlangen naar
geestelijke inwendige verlichting.’ ‘Maar hoe kan men daar toe komen, vroeg ik terug, dat lijkt mij zeer moeilijk te begrijpen.’
‘Toch niet, om geestelijk verlicht te worden en als een bewust innerlijk mens te gaan leven, moet men een af andere tekst uit de heilige Schrift nemen en al zijn aandacht zolang mogelijk daarop alleen gericht houden en daarover nadenken; en dan
– 98 –
zal men licht en inzicht krijgen. Zo moet je ook te werk gaan bij het gebed. Als je wil, dat dit zuiver is,juist en zoet,dan moet je een of ander kort gebed nemen, dat uit weinige maar sterke woorden bestaat. Dit gebed moet je dan gedurende lange tijd zeer vaak herhalen en dan zal je smaak vinden in het gebed.’
Het onderricht van die priester beviel mij ten zeerste. Het was praktisch en eenvoudig, maar ter zelfder tijd diep en wijs.Inwendig dankte ik God omdat hij mij een ware herder van zijn kerk had laten zien. Toen we van tafel opstonden zei de priester: ‘Ga nu maar wat slapen, na het eten. Ik ga het woord Gods lezen om mijn preek voor morgen voor te bereiden.’
Ik ging naar de keuken en daar was niemand behalve een stokoude vrouw,die ineengedoken in een hoek zat en aan het hoesten was. Ik ging bij het raam zitten, haalde de Filokalia uit mijn zak en begon stilletjes te lezen. Maar toen hoorde ik hoe de oude vrouw, die in de hoek zat, onophoudelijk het Jezusgebed prevelde. Ik was verheugd toen ik hoorde hoe de allerheiligste naam van de Heer zo dikwijls uitgesproken werd, en ik zei haar: ‘Het is toch schoon,moedertje,dat je zo maar altijd aan het bidden zijt. Het is het beste wat een christen mens kan doen.’
‘Ja, vadertje, antwoordde ze, in mijn oude dag is dat mijn enige vreugde!’
‘Heb je al lang de gewoonte van zo te bidden?’
‘Van kleins af, vadertje, Er zonder zou ik niet kunnen leven,want het Jezusgebed heeft mij gered van zonde en ondergang.’ ‘Hoe zo? Vertel mij dat eens,ter ere Gods, en toon zo je dankbaarheid voor de kracht van het Jezusgebed.’ Ik stak de Filokalia terug in mijn zak, ging dichter bij de vrouw zitten en luisterde naar wat zij vertelde.
‘Ik was een mooie jonge vrouw en mijn ouders hadden mijn huwelijk al geregeld. De bruiloft zou de volgende dag plaatsvinden en mijn verloofde kwam naar ons. Plots hij was maar tien stappen ver meer viel hij dood neer, zonder ook maar een zucht te laten. Ik was daarvan zo geschrokken
– 99 –
dat ik besloot nooit te trouwen, maar maagd te blijven en naar de heilige plaatsen te trekken om tot God te bidden. Maar ik was bang om alleen op tocht te gaan, want ik was nog jong en misschien zouden slechte mannen me wel aanranden. Van een oude vrouw, een bekende van mij die zelf pelgrim was,leerde ik echter om onderweg onophoudelijk het Jezusgebed te verrichten. Zij verzekerde mij ten stelligste,dat er met dit gebed onderweg geen enkel ongeluk kon gebeuren. Ik geloofde haar en inderdaad, ik heb het altijd goed gesteld op al mijn tochten, ook naar verafgelegen heilige plaatsen. Mijn ouders gaven mij daarvoor geld. In mijn oude dag werd ik ziek en deze priester hier is zo goed, mij te onderhouden en mij eten te geven.’
Het was mij een genoegen naar dit verhaal te luisteren en ik wist niet hoe ik God kon danken voor deze dag, want Hij had mij toch zulke stichtende voorbeelden laten zien.Ik vroeg de zegen aan deze goede en godvruchtige priester en vervolgde vol vreugde mijn weg.
Het is nog niet zo lang geleden, dat ik, op weg hierheen door het gouvernement Kazan trok. Daar heb ik ontdekt hoe de kracht van het gebed in de naam van Jezus Christus ook heel klaar en duidelijk aan het licht komt in mensen die het onbewust opzeggen. Zo is het veelvuldige opzeggen van dit gebed,gedurende een lange tijd,een betrouwbare en heel korte weg om de vruchten van het gebed te plukken.
Op zekere nacht moest ik overnachten in een Tartaars dorp.Toen ik er aankwam zag ik voor een van de hutten een koets met een Russische koetsier. De paarden stonden te eten naast de koets. Ik was er blij om, want ik was van plan daar logies te gaan vragen en ik dacht: ‘Nu logeer ik tenminste samen met een christen.’ Ik ging naderbij en vroeg aan de koetsier met wie hij op reis was. Hij antwoordde dat het een landheer was die van Kazan naar de Krim reisde. Terwijl ik zo met de koetsier aan het spreken was,duwde de heer het voorhangsel op zij en keek naar buiten. ‘Ikzelf overnacht hier in de koets,zei hij mij, en niet in een hut. Want bij de Tartaren is het zeer vuil en daarom heb ik besloten de nacht maar in de koets door
– 100 –
te brengen.’ Toen stapte de heer uit om wat te wandelen.Het was een mooie avond en wij praatten wat met elkaar. Hij stelde mij veel vragen en vertelde over zichzelf het volgende:”Tot mijn vijf en zestigste jaar diende ik bij de vloot als kapitein van eerste rang. Met de oude dag kreeg ik ook een ongeneeslijke ziekte: jicht. Ik nam ontslag en ging in de Krim wonen,op de boerderij van mijn vrouw. Ik was bijna voortdurend ziek. Mijn vrouw was nogal onbezonnen,niet bang van een uitspattinkje en daarbij een verwoede kaartspeelster.Het verveelde haar altijd met een zieke man te moeten leven.Ze liet mij alleen achter en vertrok naar Kazan, bij onze dochter, die daar getrouwd was met een ambtenaar. Ze pluimde mij langs alle kanten en nam zelfs het huispersoneel mee. Ze liet mij alleen een jongetje van acht jaar dat mijn petekind was.
Zo heb ik daar drie jaar alleen gewoond. Het jongetje dat mij diende was zeer handig en verrichtte alle huishoudelijk werk.Hij poetste de kamer, maakte de kachel aan, kookte mijn pap,zette de samovar. Maar daarbij was hij buitengewoon levendig, een echte kwajongen. Altijd was hij aan het lopen,kloppen, roepen, spelen, en daarmee had ik nooit rust. Ten gevolge van mijn ziekte, en ook wel omdat ik mij verveelde,wilde ik altijd geestelijke boeken lezen. Ik had een prachtig boek van Gregorius Palamas over het Jezusgebed. Ik las er bijna voortdurend in en geleidelijk ging ik ook het Jezusgebed beoefenen. Maar die jongen hinderde mij en geen enkele bedreiging of straf kon hem van zijn streken afhouden. Toen bedacht ik het volgende middel: ik zette hem bij mij in de kamer op een bankje en ik deed hem zonder ophouden het Jezusgebed opzeggen. Dat stond hem in het begin helemaal niet aan. Hij probeerde er op alle manieren aan te ontkomen en dikwijls zweeg hij. Om hem te dwingen mijn bevel uit te voeren, had ik naast mij een stok liggen. Als hij het gebed opzegde, las ik rustig in mijn boek of luisterde ik naar hem.Maar zodra hij zweeg toonde ik hem de stok en van schrik begon hij dan opnieuw met het gebed. Dit kalmeerde mij ten zeerste, want het werd nu stil in huis.
– 101 –
Na enkele tijd bemerkte ik dat de stok er niet meer nodig was.De jongen begon gewillig en met veel ijver mijn gebod uit te voeren. Ik zag eveneens een volledige ommekeer in zijn speels karakter: hij werd stil en zwijgzaam en zijn werk in huis deed hij ook veel beter. Ik was daar blij om en ik begon hem meer vrijheid te geven. Wat was er gebeurd? Hij was zo gewend geraakt aan het gebed dat hij het bijna altijd verrichtte, ook tijdens het werk en zonder de minste dwang van mijn kant. Toen ik hem daarover ondervroeg antwoordde hij mij, dat hij een onweerstaanbaar verlangen voelde om het gebed altijd te verrichten.
‘En wat voel je daarbij?’
‘Niets. Ik voel alleen maar dat het mij goed gaat als ik het gebed opzeg.’
‘Wat bedoel je met ‘mij goed gaat’?’
‘Ik weet niet hoe ik het moet zeggen.’
‘Ben je dan blij?’
‘Ja,blij.’
Hij was twaalf jaar toen de Krimoorlog (20) uitbrak. Ik ging bij mijn dochter in Kazan wonen en nam hem mee.Daar zette men hem in de keuken bij het andere personeel. Maar dat verveelde hem en hij bekloeg zich bij mij, dat de anderen hem ook betrokken in hun spel en hun plagerijen. Ze lachten met hem en daardoor beletten ze hem,met het gebed bezig te zijn.Na drie maanden kwam hij bij mij en zei: ‘Ik ga naar huis. Ik kan de verveling en de drukte hier niet langer dragen.’ ‘Hoe kan je alleen zo ver gaan en dan nog in de winter. Wacht wat tot ik daarheen ga en dan zal ik je meenemen.’
Maar de volgende dag was mijn jongen verdwenen. Ik liet overal zoeken, maar men vond hem nergens.Later ontving ik een brief van het personeel dat op onze boerderij gebleven was in de Krim: ‘Op 4 april (tweede Pasen) had men de jongen dood gevonden in mijn huis, dat leeg stond. Hij lag in mijn kamer op de grond, de handen gevouwen op de borst.Zijn muts lag onder zijn hoofd en hij droeg nog hetzelfde
(20) In 1853.
– 102 –
dunne jasje, dat hij bij mij gedragen had en waarmee hij vertrokken was. Ze hadden hem begraven in mijn tuin.’ Toen ik dat hoorde was ik uiterst verbaasd. Hoe had de jongen zo vlug de boerderij kunnen bereiken? Hij was op 26 februari vertrokken en op 4 april gevonden. In één maand ongeveer 3.000 werst afleggen! Zelfs met paarden is het een prestatie;men moet 100 werst per dag doen. En dan nog in een versleten mantel, zonder pas, en zonder een kopeke! Nemen we nog aan dat hij onderweg heeft kunnen meerijden met iemand,dan kan dat allemaal nog niet, zonder dat Gods voorzienigheid speciaal voor hem gezorgd heeft.
Zie,die jongen van mij, zei de edelman tenslotte, heeft reeds de vruchten van het gebed gesmaakt, en ik ben in mijn oude dag nog zo ver niet als hij.’
Ik zei tot de edelman; ‘Dat prachtige boek, vadertje, van de heilige Gregorius Palamas, waarin je zo graag leest,ik ken dat. Maar daarin wordt bijna uitsluitend over het mondeling Jezusgebed gehandeld. Je zou ook eens moeten het boek lezen dat Filokalia genoemd wordt. Daar zal je een volledig uitgewerkte leer vinden, om te komen tot het inwendig Jezusgebed met de geest en het hart, en daar de zoete vruchten van te smaken.’ Ik toonde hem toen ook mijn Filokalia. Ik zag hoe hij met voldoening naar mijn raad luisterde en hij be-loofde dat hij zich het boek zou aanschaffen. ‘Mijn God,dacht ik bij mijzelf, hoe heerlijk openbaart zich Gods kracht door dit gebed ! Er schuilen toch diepzinnige lessen in dit voorval. Deze jongen heeft het gebed geleerd door de stok die voor hem dus gediend heeft als een middel ter vertroosting.Zijn ook onze smarten en het onheil dat we tegenkomen op de weg van het gebed, niet de stokken van God? Waarom zijn we dan zo bang en raken we ontsteld, wanneer de hand van onze Hemelse Vader naar de stok wijst? Hij is toch vervuld van een grenzeloze liefde en de stokken moeten alleen maar dienen om ons aan te sporen tot meer ijver voor het gebed, en ons zo te voeren tot een onuitsprekelijke troost.
Aan het einde van deze verhalen zei ik tot mijn geestelijke vader: ‘Vergeef mij,ter liefde Gods. Ik heb teveel gepraat;en
– 103 –
de heilige Vaders noemen ook geestelijke gesprekken kletspraat, als ze te lang duren. Het is tijd om mijn reisgezel voor Jeruzalem te gaan opzoeken.
Bid voor mij; ellendige zondaar, dat de Heer in zijn grote barmhartigheid mijn reis ten goede mag leiden.’
‘Dat wens ik je van ganser harte, mijn beminde broeder in de Heer.Moge Gods genade en zijn liefde overvloedig neerdalen over jou, en je tijdens de reis vergezellen, zoals de engel Rafaël Tobias
(21) Allusie op het boek Tobias, dat echter in de orthodoxe Kerk niet opgenomen is onder de canonieke boeken van het Oude Testament.
– 104 –